Klantbeoordeling 9.0/10
Nu tot 22.00 uur bereikbaar! 036 522 0342 info@ridder-letselschade.nl

036 522 0342

Bereikbaar tot 22:00!

Afspraak maken

Gratis advies gesprek

Doe de letselschadetest

Gebruik de onderstaande test om te beoordelen of u in aanmerking komt voor een letselschadeclaim. Binnen 5 min heeft u een uitslag.

Doe de test

  • Pleidooi voor Smartengeld databank

  • Verzekeraars hebben de sleutel in handen voor betere regeling van letselschade!

  • Aansprakelijkheid ouders Tristan van der V.

Deelgeschil letselschade: hoofdverweer van Univé afgewezen

21 Februari, 2011 10:22

De rechtbank van Alkmaar heeft in een deelgeschil de schade wegens verlies arbeidsvermogen toegewezen. De rechtbank volgt het standpunt van verzekeraar Univé niet dat het slachtoffer in de situatie zonder ongeval niet boven het bijstandsniveau uit zou zijn gekomen. Het gebruik van alcohol en drugs in het verleden is voor dat standpunt, gelet op het inkomen in de 2,5 jaar voorafgaand aan het ongeval, onvoldoende.

Verkeersongeval

Op 26 juni 2002 heeft een verzekerde van Univé een verkeersongeval veroorzaakt waarbij de verzoeker ernstig hersenletsel heeft opgelopen. Univé heeft de aansprakelijkheid van haar verzekerde voor de gevolgen van het ongeval erkend. Partijen hebben in onderling overleg op basis van medische deskundigenberichten overeenstemming bereikt over de te hanteren medische uitgangspunten voor het nader vaststellen van de schade van Verzoeker. Het staat vast dat het slachtoffer door het ongeval geen inkomen meer kan genereren. Hij ontvangt thans een WAO-uitkering waarbij het dagloon is vastgesteld op € 49,16. Maandelijks bedraagt de WAO-uitkering ongeveer € 700,00 netto. Partijen hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over de omvang van de schade als gevolg van verlies aan arbeidsvermogen en de daarbij te hanteren uitgangspunten ter bepaling van het inkomen dat de verzoeker zonder ongeval zou hebben genoten.

Het deelgeschil letselschade

Het slachtoffer verzoekt de rechtbank te beslissen dat zijn inkomen zonder ongeval hoger zou zijn geweest dan de huidige uitkering van ongeveer € 700,00 netto per maand en voorts het niveau van zijn inkomen vast te stellen. Verder heeft hij verzocht om voor het berekenen van de toekomstige schade de in het verzoekschrift genoemde uitgangspunten vast te stellen. Ten slotte heeft hij verzocht dat Univé op grond van artikel 6:96 lid 2 BW de kosten van zijn letselschadeadvocaat zal vergoeden, te begroten op het bedrag van de daadwerkelijk bestede tijd vermenigvuldigd met een uurtarief van € 378,30 per uur met veroordeling van Univé in de kosten van deze procedure.

Univé voert gemotiveerd verweer en verzoekt afwijzing van het verzoek. Voorts verzoekt Univé de looptijd voor de schadeberekening van het verloren arbeidsvermogen te beperken tot de 40-jarige leeftijd en begroting van de redelijke kosten van rechtsbijstand te begroten op € 232,50 inclusief BTW per uur voor een gemaximeerd aantal uren.

De beoordeling door de rechtbank

De deelgeschilprocedure is bedoeld voor de situatie waarin partijen in het buitengerechtelijke onderhandelingstraject stuiten op geschilpunten die de buitengerechtelijke afwikkeling belemmeren. Partijen vragen in een deelgeschilprocedure de rechter om op die geschilpunten te beslissen, zodat zij vervolgens verder kunnen met de buitengerechtelijke onderhandelingen, met als doel het sluiten van een vaststellingsovereenkomst.

Partijen zijn verdeeld over de omvang van de schade als gevolg van verlies aan arbeidsvermogen en de daarbij te hanteren uitgangspunten ter bepaling van het inkomen dat het slachtoffer zonder ongeval zou hebben genoten. De rechtbank is van oordeel dat dit geschilpunt zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure omdat haar beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Zij zal dan ook op dit punt een beslissing geven zoals door partijen gevraagd. Verzoeker baseert zijn verzoek op de stelling dat er sprake is van verlies aan arbeidsvermogen. Hij verwijst naar de door hem overgelegde loonopgaven over de periode november 1999 tot en met juni 2002, waaruit blijkt dat hij in de 2,5 jaar voor het ongeval gemiddeld € 17.528,00 per jaar heeft verdiend. Bovendien zou hij blijkens de door hem overgelegde arbeidsovereenkomst per 1 juli 2002 bij zijn oom in dienst zijn getreden tegen een vast inkomen van € 1.700,00 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag, aldus het slachtoffer.

Univé betwist dat er sprake is van verlies aan arbeidsvermogen. Zij stelt in dat verband dat het inkomen van de man over de eerste zes maanden van het ongevalsjaar niet meer dan € 4.029,00 bruto heeft bedragen, hetgeen minder is dan de man nu ontvangt. Voorts is volgens Univé van belang dat de man met uitsluitend een afgeronde lagere schoolopleiding, een zwakke positie heeft op de arbeidsmarkt. Ook heeft hij vanaf 1989 tot en met 1999 een bijstandsuitkering genoten. Voor het ongeval was hij weliswaar ongeveer 2,5 jaar werkzaam, maar blijkens de loonspecificaties heeft hij meer dagen verzuimd dan gewerkt, aldus Univé. Daarnaast wordt het arbeidsvermogen ook beperkt door een preëxistente rugproblematiek en is er sprake van gok-, alcohol- en drugsverslaving en preëxistente depressies.

Verzoeker ontkent dat er voor het ongeval sprake was van ernstige rugklachten en/of psychische problematiek en verwijst daartoe naar de door hem overlegde brieven van de huisarts en brieven van twee orthopedische chirurgen uit de periode 1987 en 1988 nadat hij was geopereerd aan zijn rug. De rechtbank stelt voorop dat de vraag of de man schade heeft geleden door verlies van toekomstige inkomsten uit arbeid moet worden beantwoord door vergelijking van de feitelijke inkomenssituatie na het ongeval met de hypothetische situatie bij het wegdenken van het ongeval. Bij deze vergelijking komt het aan op de redelijke verwachting van de rechter omtrent toekomstige ontwikkelingen. Univé heeft aangevoerd dat de man geen arbeidsvermogen heeft verloren omdat er voor het ongeval reeds sprake was van preëxistente rugproblematiek, gok-, alcohol- en drugsverslaving en preëxistente depressies. Uit de door het slachtoffer overgelegde brief waarin de orthopedisch chirurg Pavlov schrijft dat er geen verdere controleafspraken zijn gemaakt, leidt de rechtbank af dat de voor het ongeval bestaan hebbende rugklachten een werkzaam leven niet in de weg stonden. Voorts leest de rechtbank in de brieven van de huisarts weliswaar dat het slachtoffer in 1997 en 1998 een alcohol- en drugsprobleem had en depressief was, maar ook dat hij voor het ongeval volgens de huisarts aan het werk en in balans was. De huisarts maakt geen melding dat er ten tijde van het ongeval sprake was van gok-, alcohol- en drugsverslaving en preëxistente depressies.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat de man voor het ongeval drugs en alcohol zou hebben gebruikt en depressief is geweest, hetgeen vier à vijf jaar voor het ongeval problematisch was, dan wel dat hij zou hebben gegokt, niet zonder meer de conclusie rechtvaardigt dat hij dan ook verslaafd en daardoor arbeidsongeschikt zou zijn geweest ten tijde van het ongeval. Eerst de medisch adviseur van Univé rept op 11 maart 2004 over psychische en/of psychosociale problematiek vóór het ongeval, met het verzoek dit te verifiëren bij de huisarts. Ook de door partijen ingeschakelde psychiater Tonneijk vermeldt in zijn overgelegde rapportage dat de man voor het ongeluk alcohol en drugs gebruikte en gokverslaafd was, maar niet dat dit heeft geleid tot arbeidsongeschiktheid voor het ongeval. Hetzelfde geldt voor de overige verklaringen waar Univé naar verwijst. Hieruit valt niet af te leiden dat de man als gevolg van verslaving geen arbeidsvermogen zou hebben gehad. Waar verder vast staat dat hij blijkens zijn loonspecificaties gedurende 2,5 jaar voor het ongeval werkzaam was, kan aan deze rapportages en verklaringen geen doorslaggevende betekenis worden toegekend en is er geen reden om aan te nemen dat hij zonder het ongeval niet zou zijn blijven werken. Dat hij uren zou hebben verzuimd, doet daar niet aan af. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat aan de verzoeker verlies aan arbeidsvermogen door het ongeval heeft geleden.

Vervolgens rijst de vraag op welk niveau het inkomen moet worden vastgesteld. Verzoeker stelt in dat verband dat hij met zijn oom een arbeidsovereenkomst had gesloten waardoor hij een inkomen had kunnen verdienen van € 22.032,00 bruto per jaar. De rechtbank is met Univé van oordeel dat deze arbeidsovereenkomst niet tot uitgangspunt moet worden genomen voor het vaststellen van de schade wegens verlies van arbeidsvermogen. Deze arbeidsovereenkomst is immers pas ondertekend op 31 juli 2002, en derhalve nadat het ongeval had plaatsgevonden en in een periode dat de man psychisch ernstige hinder ondervond van het door het ongeval veroorzaakte hersenletsel. Maar ook indien hij en zijn oom voor het ongeval het voornemen hadden om een dienstverband aan te gaan, is de rechtbank van oordeel dat deze toekomstige ontwikkeling te onzeker was om als uitgangspunt te hanteren. Het is te zeer de vraag of dit dienstverband een bestendig karakter zou hebben gehad. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een redelijke verwachting omtrent het arbeidsvermogen moet worden gebaseerd op het inkomen dat hij voor het ongeval heeft verdiend. Waar als onweersproken vast staat dat de man gedurende 2,5 jaar voor het ongeval gemiddeld een inkomen heeft genoten van € 17.528,00 per jaar, moet dit inkomen als uitgangspunt worden genomen voor de berekening van het verlies aan arbeidsvermogen. In dit inkomen is het aantal gewerkte en niet-gewerkte uren verdisconteerd, zodat aan de stellingen van Univé ter zake in zoverre tegemoet wordt gekomen. Voor het oordeel dat zou moeten worden uitgegaan van het gemiddeld inkomen over de jaren 2000 en 2001 heeft het slachtoffer onvoldoende gesteld. Nu de rechtbank dit bedrag als uitgangspunt zal vaststellen, heeft hij geen belang meer bij zijn verzoek dat zijn inkomen zonder het ongeval hoger zou zijn geweest dan het huidige uitkeringsniveau. De rechtbank zal het verzoek dat het inkomen vanaf 1 juli 2002 jaarlijks met 3 procent zou zijn gestegen, als onweersproken toewijzen. De 'rekenrente' wordt vastgesteld op 3 % (bruto kapitalisatierente 6% en inflatiecorrectie 3%).

Verzoeker verzoekt voorts dat als einddatum wordt aangehouden de dag waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd van 67 jaar zal bereiken. Univé meent dat op grond van de voor het ongeval bestaande multiverslavingsproblematiek en preëxistente rugklachten de looptijd moet worden beperkt tot het 40ste levensjaar van Verzoeker. Om redenen zoals hierboven genoemd, passeert de rechtbank het verweer van Univé. Gelet op de huidige stand van zaken zal de rechtbank de einddatum bepalen op de dag dat de man de leeftijd van 65 jaar zal bereiken. Univé heeft terecht aangevoerd dat bij de berekening van de belastingschade rekening zal moeten worden gehouden met de verschuldigde vermogensrendementheffing. De rechtbank zal het verzoek tot betaling van wettelijke rente over het gekapitaliseerde bedrag en het berekende belastingverlies vanaf de kapitalisatiedatum als onweersproken toewijzen.

Buitengerechtelijke kosten

Tenslotte vordert het slachtoffer vergoeding van de ten behoeve van deze procedure gemaakte kosten van € 378,30 per uur, vermeerderd met 6% kantoorkosten en BTW. Het aantal aan de zaak bestede uren bedraagt volgens opgave in totaal 28.55, de mondelinge behandeling daaronder begrepen. Univé stelt dat een uurtarief van € 232,50 redelijk is en stelt dat met de behandeling van de zaak tot en met het opstellen van het verzoekschrift niet meer dan 8.5 uur kan zijn besteed. Artikel 1019aa lid 1 Rv bepaalt dat de rechter in de beschikking de kosten begroot bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt en dat de rechter daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking neemt. De rechtbank is van oordeel dat de omvang en complexiteit van de onderhavige zaak een beperkt deelgeschil betreft. Mede gelet op het feit dat nog geen duidelijkheid bestaat over de omvang van de schade, is de rechtbank van oordeel dat een specialisatiefactor volgens het advies van de ASP niet volledig dient te worden meegewogen. Omdat Univé zowel het uurtarief als het aantal aan de zaak bestede uren betwist en de urenspecificatie geen concrete duidelijkheid verschaft over de exacte tijdsbesteding, zal de rechtbank de met de opstelling van het verzoekschrift en de behandeling van de zaak gemoeide (buitengerechtelijke) kosten in redelijkheid begroten op een bedrag van € 3.750,00 te vermeerderen met het  betaalde griffierecht van € 255,00 in totaal dus € 4.005,00.

De rechtbank bepaalt dat het inkomen van de verzoeker zonder ongeval vanaf 1 juli 2002 € 17.528,00 per jaar zou hebben bedragen en dat dit inkomen jaarlijks met 3% zou zijn gestegen. Verder woirdt bepaald dat voor het berekenen van de toekomstige schade als gevolg van verlies aan arbeidsvermogen:
- als kapitalisatiedatum 1 februari 2011 wordt aangehouden;
- dat als einddatum wordt aangehouden de dag waarop de man de leeftijd van 65 jaar zal bereiken;
- dat de rekenrente voor het te kapitaliseren bedrag wordt vastgesteld op 3%;
- dat het belastingverlies berekend dient te worden over het te ontvangen gekapitaliseerde bedrag, rekening houdend met de verschuldigde vermogensrendementheffing;
- dat het gekapitaliseerde bedrag en het berekende belastingverlies tezamen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2011 tot de dag waarop betaling van de schadebedragen door Univé plaatsvindt;

De rechtbank veroordeelt Univé tot betaling van de kosten van deze procedure die zijn begroot op € 4.005,00.

Terug