Klantbeoordeling 9.0/10
Nu tot 22.00 uur bereikbaar! 036 522 0342 info@ridder-letselschade.nl

036 522 0342

Bereikbaar tot 22:00!

Afspraak maken

Gratis advies gesprek

Doe de letselschadetest

Gebruik de onderstaande test om te beoordelen of u in aanmerking komt voor een letselschadeclaim. Binnen 5 min heeft u een uitslag.

Doe de test

  • Pleidooi voor Smartengeld databank

  • Verzekeraars hebben de sleutel in handen voor betere regeling van letselschade!

  • Aansprakelijkheid ouders Tristan van der V.

Deelgeschil: smartengeld na arbeidsongeval

13 September, 2011 10:46

Op 08-09-2011 is een uitspraak van de kantonrechter in Bergen op Zoom over een deelgeschil over de vergoeding van smartengeld na een arbeidsongeval gepubliceerd. In die zaak werden ook de buitengerechtelijke kosten gevorderd, in totaal zo'n € 30.000,00 voor de procedure in het deelgeschil en wat er kennelijk als onbetaald nog openstond.

Het arbeidsongeval

Het slachtoffer heeft in 2007 bij een arbeidsongeval bij zijn werkgever in de offshore industrie, letselschade opgelopen. Tijdens het aanbrengen van een conserveringsmiddel voor kabels met een hogedrukspuit is dit middel met veel kracht tegen de linkerhand aangekomen. Als gevolg van het arbeidsongeval is het grootste deel van de linkerwijsvinger geamputeerd. Daarnaast is hij enige tijd behandeld in verband met psychische klachten die in de behandelende sector onder meer geduid zijn als een posttraumatische stressstoornis.

De aansprakelijke verzekeraar is ASR Schadeverzekering NV. ASR heeft erkend dat haar verzekerde, de werkgever van het slachtoffer, aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval. Uit een onafhankelijke expertise is gebleken, dat sprake is van blijvende klachten en beperkingen (10% blijvende invaliditeit gehele persoon). De man is vanwege het opgelopen letsel tot 2 juni 2008 volledig arbeidsongeschikt geweest. Na overleg tussen partijen is de reïntegratie naar passende werkzaamheden bij de eigen werkgever begeleid door een arbeidsdeskundige. Per 10 september 2008 heeft de man zijn werkzaamheden bij zijn werkgever nagenoeg volledig hervat. Hij is echter per 10 oktober 2009 wegens dringende redenen ontslagen. Na interventie van het UWV is dat echter teruggedraaid.

Op 30 juni 2010 is de man opnieuw het slachtoffer geworden van een bedrijfsongeval als gevolg waarvan hij letsel heeft opgelopen van de rechterhand. Na dit ongeval is hij opnieuw uitgevallen voor zijn eigen werk. Thans wordt hij met behulp van een arbeidsdeskundige begeleid naar passende arbeid buiten het bedrijf. ASR heeft eveneens aansprakelijkheid erkend voor de gevolgen van het tweede ongeval.

Deelgeschilprocedure

Het slachtoffer stelt dat partijen er niet in geslaagd zijn om te geraken tot een buitengerechtelijke afwikkeling van de schade als gevolg van het ongeval van 20 november 2007 voor zover dit de omvang van het smartengeld betreft en de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van juridische hulp en bijstand. Ter onderbouwing van de immateriële schade heeft hij gewezen op het hiervoor genoemde rapport van de deskundige en de psychische gevolgen. Die zijn verwoord in een brief waarin vermeld is dat een posttraumatische stressstoornis gediagnosticeerd is en dat er nog restklachten zijn, zoals bijvoorbeeld vermijding van de plek van het ongeval. Voor de begroting van de psychische schade verwijst hij naar de nrs. 283, 284 en 287 van de bundel Smartengeld, 17e druk 2009.

Immateriële schade

Volgens de kantonrechter gaat het hier om een ongeval waarbij de werkgever onvoldoende maatregelen heeft getroffen ter bescherming van het letsel dat bij het slachtoffer is ontstaan. De rechtbank gaat uit van de aard en ernst van het letsel zoals beschreven in het hiervoor genoemde rapport en in de overgelegde brief. Kort gezegd betreft het blijvende letsel een amputatie van de linkerwijsvinger tot een klein stompje, waardoor de man veel problemen ondervindt bij het gebruik van de linkerhand omdat deze een goede ondersteunende functie mist, met name bij fijn motorische handelingen. Bij belasting en steunen geeft het stompje pijnklachten, terwijl krachtsverlies in de linkerhand is opgetreden. Een en ander geeft hinder bij de uitoefening van zijn werkzaamheden, bij de algemene dagelijkse bezigheden (vasthouden bestek, afwassen en snijden van voedsel) en bij de uitoefening van zijn hobby, het maken van fietsen. Daarnaast is sprake geweest van neuroompijn in verband waarmee de man op 16 februari 2009 succesvol geopereerd is. Naar voorts niet weersproken is, is sprake geweest van een posttraumatische stressstoornis in verband waarmee het slachtoffer enige jaren is behandeld maar die ten tijde van het tweede ongeval nog slechts geringe restklachten opleverde. Voorts acht de rechtbank van belang dat, naar ASR erkend hebben, de werkgever al in 2008 “van hem afwilde”, naar uit de overgelegde stukken blijkt en naar evenmin voldoende gemotiveerd weersproken is zonder deugdelijke gronden, hetgeen heeft bijgedragen aan het leed dat de man als gevolg van het ongeval heeft ondervonden.

Gelet op hetgeen rechters in enigszins vergelijkbare gevallen hebben toegekend, zal de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking nemende, het smartengeld begroten op € 13.500,00 (exclusief wettelijke rente). Het verzoek zal in zoverre worden toegewezen.

Buitengerechtelijke kosten

Zoals te doen gebruikelijk spelen de buitengerechtelijke kosten weer een (te?) belangrijke rol. De kosten die de werknemer heeft gemaakt ter voorkoming van een onterecht ontslag en de kosten die gemaakt zijn in verband met de reïntegratie zijn volgens de rechter aan te merken als redelijke kosten ter beperking van schade in de zin van artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder a. Dat de man zich veelvuldig in verband met het dreigende ontslag tot zijn advocaat heeft gewend is, begrijpelijk en ook redelijk. Het ging immers om het dreigende verlies van zijn inkomen en daarmee de aantasting van zijn bestaanszekerheid.

Dat de buitengerechtelijke kosten in verband met de reïntegratie en de bejegening door de werkgever veel hoger zijn geworden dan normaalgesproken gelet op de erkenning van de aansprakelijkheid in een vroeg stadium en de aard van het letsel verwacht had mogen worden, maakt niet dat deze kosten wat de omvang daarvan betreft onredelijk zijn. Zoals hiervoor is overwogen betreft het hier voor een groot deel kosten die gemaakt zijn ter voorkoming van (forse) arbeidsvermogensschade. Voorts is het, anders dan ASR heeft aangevoerd, voorshands niet zeker of de schade als gevolg van het ongeval van 20 november 2007 zich beperkt tot smartengeld en buitengerechtelijke kosten.

Anders dan ASR voorts heeft aangevoerd, is voor het vereiste causale verband tussen de kosten ter voorkoming van arbeidsvermogensschade en het ongeval niet vereist dat deze kosten een “direct en rechtstreeks” gevolg zijn van het ongeval. Maatgevend is of deze kosten redelijkerwijs als gevolg van het ongeval aan ASR kunnen worden toegerekend. Bij letselschade wordt ruim toegerekend, in die zin dat ook wat minder directe en rechtstreekse gevolgen die zonder het ongeval niet zouden zijn ontstaan voor rekening komen van de aansprakelijke. Ook schade die het gevolg is van de bejegening door de werkgever dient als een gevolg van het ongeval aan de werkgever en dus aan ASR te worden toegerekend.

Buitengerechtelijke kosten deelgeschilprocedure

ASR heeft er op gewezen dat uit de overgelegde specificatie ook reeds in 2010 werkzaamheden vermeld zijn in verband met een deelgeschil (24 en 27 september 2010 en 6 oktober 2010). Uit de specificatie blijkt dat daarmee 9,48 uur gemoeid is geweest. Nu de man stelt de werkzaamheden in verband met deze deelgeschilprocedure in een afzonderlijke specificatie te hebben opgenomen, zijn de buitengerechtelijke kosten in zoverre onvoldoende onderbouwd en komen deze niet voor vergoeding in aanmerking. ASR heeft er verder nog op gewezen dat in oktober 2009 en in september 2010 werkzaamheden in de specificatie zijn opgenomen die bestaan in het maken van processtukken, waarvan niet zonder meer duidelijk is in verband waarmee deze stukken zijn gemaakt.

Afgezien van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat ASR de redelijkheid van de verrichte werkzaamheden en de redelijkheid van de daarmee gemoeide tijd onvoldoende gemotiveerd betwist heeft. Alleen maar roepen dat het teveel is, loont hier dus niet! De specificatie voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Mede gelet op de toelichting daarop en de uitgebreide correspondentie die is gevoerd tussen ASR en de advocaat van de man, alsmede tussen de ingeschakelde arbeidsdeskundige en partijen, moet ASR geacht worden voldoende inzicht te hebben in de verrichte werkzaamheden. Van ASR mocht worden verwacht dat de betwisting werd toegespitst op specifieke posten en daarbij zou worden aangeven waarom het verrichten van bepaalde werkzaamheden onredelijk was of waarom bepaalde werkzaamheden te veel tijd hebben gekost. De betwisting door ASR in meer algemene termen voldoet niet aan die eis.

ASR heeft eerder bevoorschot op basis van een uurtarief van € 253,00 excl. 5% kantoorkosten en BTW; voorafgaande aan het deelgeschil is het uurloon geen onderwerp van discussie is geweest. Weliswaar is de aansprakelijkheid door ASR zonder veel discussie erkend en is er weinig discussie mogelijk over het handletsel en de beperkingen als gevolg daarvan, maar dit maakt deze zaak daarmee nog niet “eenvoudig”, zoals ASR heeft gesteld. Zoals hiervoor is besproken, hebben zich in deze zaak arbeidsdeskundige aspecten voorgedaan die de moeilijkheidsgraad van de letselschadezaak hebben vergroot. Bovendien was sprake van psychisch letsel en is niet uit te sluiten dat dit letsel zal leiden tot arbeidsvermogensschade. Gelet op een en ander en nu de advocaat zich heeft gespecialiseerd in de behandeling van zaken als de onderhavige, acht de rechtbank het gehanteerde uurtarief niet onredelijk.

ASR stelt dat de tijd die in verband met de werkzaamheden voor de deelgeschilprocedure gemoeid is geweest, buitensporig is gelet op de eenvoudige aard van de letselschadezaak. Zij verwijst naar andere deelgeschilprocedures, waarin de rechter een veel lager bedrag redelijk geacht heeft. Bij de begroting van deze kosten dient de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen. Tussen partijen is niet in geschil dat de gespecificeerde werkzaamheden in verband met de deelgeschilprocedure verricht zijn en dat daarmee de in het overzicht vermelde tijd gemoeid is geweest.

Het standpunt dat de kosten in verband met de deelgeschilprocedure buitensporig zijn is, anders dan met de hiervoor reeds besproken stellingen, niet nader toegelicht. Daarmee heeft ASR de redelijkheid van de gespecificeerde kosten onvoldoende gemotiveerd betwist. De kantonrechter verwijst naar hetgeen hij daarover hiervoor overwogen heeft. De kantonrechter zal de kosten van de deelgeschilprocedure begroten conform de overgelegde specificatie en verweersters hoofdelijk veroordelen tot betaling van het begrote bedrag en het griffierecht.

Terug