Klantbeoordeling 9.0/10
Nu tot 22.00 uur bereikbaar! 036 522 0342 info@ridder-letselschade.nl

036 522 0342

Bereikbaar tot 22:00!

Afspraak maken

Gratis advies gesprek

Doe de letselschadetest

Gebruik de onderstaande test om te beoordelen of u in aanmerking komt voor een letselschadeclaim. Binnen 5 min heeft u een uitslag.

Doe de test

  • Pleidooi voor Smartengeld databank

  • Verzekeraars hebben de sleutel in handen voor betere regeling van letselschade!

  • Aansprakelijkheid ouders Tristan van der V.

Omkeringsregel toegepast na olielekkage

9 Augustus, 2010 15:36

In 2003 is een motorrijder op een kruising ten val gekomen door een gladde substantie op het wegdek. Van dit eenzijdige ongeval is door de politie ter plaatse een onderzoek ingesteld en proces-verbaal opgemaakt. Daarin werd vermeld dat na raadpleging van het politiesysteem bleek, dat op genoemde kruising de vorige avond een verkeersongeval was gebeurd waarbij op die lokatie een hoeveelheid vloeistof op het wegdek is terechtgekomen. De gemeente zou zorg dragen voor de schoonmaak.

De motorrijder spreekt degene aan die het eerdere ongeval heeft veroorzaakt. Dat was de bestuurder van een auto die door het rode verkeerslicht was gereden. De man heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat die automobilist ook ten opzichte van hem een onrechtmatige daad heeft gepleegd, nu hij aansprakelijk is voor het ontstaan van de eerdere aanrijding, door welke aanrijding koelvloeistof en/of olie uit de betrokken voertuigen is gelopen en op het wegdek is achtergebleven, waardoor de motorrijder zo'n 12 uur later met zijn motorfiets ten val is gekomen. De motorrijder wil zijn schade vergoed zien.

De kantonrechter had de vordering van de motorrijder afgewezen, maar het Gerechtshof wijst de vordering toe. Het hof past namelijk de omkeringsregel toe. Voor toepassing van de omkeringsregel is volgens vaste rechtspraak plaats indien door een als onrechtmatige daad aan te merken gedraging een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit gevaar zich vervolgens verwezenlijkt. In dat geval is het oorzakelijk verband tussen de gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel gegeven en is het aan degene die op grond van die gedraging wordt aangesproken te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan. De aangesproken automobilist heeft dienaangaande onvoldoende gesteld. Derhalve acht het hof een causaal verband aanwezig tussen het verwijtbaar lekken door de automobilist van olie en/of koelvloeistof op de openbare weg ten gevolge van een door

[geïntimeerde]

veroorzaakt ongeval en het ontstaan van de schade door het wegglijden van de motorfiets op dezelfde locatie als het eerdere ongeval.

De automobilist heeft weliswaar gesteld dat hij niet aansprakelijk is voor de schade, omdat hij ervan mocht uitgaan dat, wanneer na een aanrijding hulpdiensten ter plekke zijn, deze voor opruiming zorg dragen en dat het niet aan hem toerekenbaar is indien het wegdek onvoldoende wordt gereinigd, maar het is voor het hof niet geheel duidelijk hoe het precies gegaan is met het schoonmaken van het wegdek. Kennelijk zijn er wel enige schoonmaakwerkzaamheden verricht nu er op de plaats van de gelekte vloeistof op het wegdek zand en roze grind lag. Wellicht zijn deze schoonmaakwerkzaamheden onvoldoende geweest. De omstandigheid dat naast de automobilist ook de gemeente (mogelijk) aansprakelijk is voor de door de motorrijder geleden schade, doet aan de aansprakelijkheid van de automobilist evenwel niet af. Indien twee of meer personen verplicht zijn tot vergoeding van dezelfde schade, zijn zij immers voor die schade hoofdelijk verbonden. Het is aan de gelaedeerde overgelaten wie hij - beiden dan wel één van hen - aanspreekt. In deze procedure is de aansprakelijkheid van de gemeente niet aan de orde, zodat deze ook niet behoeft te worden onderzocht.

Verder stelt de automobilist dat, aangezien het opruimen van de weg een publieke taak is, hij er slechts voor behoefde te zorgen dat die hulpdiensten ter plekke kwamen en dat hij aan die zorgplicht heeft voldaan.
Het hof begrijpt hieruit, dat de automobilist zich op het standpunt stelt dat de schade van de motorrijder hem niet kan worden toegerekend op grond van artikel 6:98 BW. Dat standpunt wordt door het hof verworpen. Daarbij weegt het hof mee dat de olie en/of koelvloeistof op de weg is terecht gekomen als gevolg van een ongeval dat aan de schuld van de automobilist te wijten was, dat het hier om overtreding van een veiligheidsnorm gaat, en dat schade zoals in dit geval is geleden het redelijkerwijs te verwachten gevolg is van het morsen van vloeistof op de weg.

Op grond van het vorenstaande is de automobilist verplicht de schade die de motorrijder tengevolge van het eenzijdig ongeval heeft geleden te vergoeden. Het hof vernietigt dus het vonnis waarvan beroep was ingesteld en veroordeelt de automobilist tot vergoeding van de schade van de motorrijder.

Deze uitspraak doet denken aan het arrest van de Hoge Raad in de zaak Ter Hofte/Oude Monnink Motors, waarin jaren (datum uitspraak 19-01-2001) geleden de omkeringsregel niet werd toegepast. De motorrijder in die zaak verweet de garage dat men na een reparatie aan het koelsysteem van de motor, olielekkage had veroorzaakt. De motorrijder stelde toen dat hij niet gevallen zou zijn als die fout niet was gemaakt en vorderde toepassing van de omkeringsregel. De Hoge Raad heeft die vordering afgewezen omdat de motorrijder niet kon bewijzen dat hij door de olie was geslipt en niet bijvoorbeeld door 'split' op het wegdek. Eerst moet de juiste toedracht derhalve wel worden bewezen voordat de omkeringsregel te hulp kan worden geroepen.

Terug