Klantbeoordeling 9.0/10
Nu tot 22.00 uur bereikbaar! 036 522 0342 info@ridder-letselschade.nl

036 522 0342

Bereikbaar tot 22:00!

Afspraak maken

Gratis advies gesprek

Doe de letselschadetest

Gebruik de onderstaande test om te beoordelen of u in aanmerking komt voor een letselschadeclaim. Binnen 5 min heeft u een uitslag.

Doe de test

  • Pleidooi voor Smartengeld databank

  • Verzekeraars hebben de sleutel in handen voor betere regeling van letselschade!

  • Aansprakelijkheid ouders Tristan van der V.

Rechtbank wijst vorderingen in deelgeschil af

29 Maart, 2011 10:29

Het slachtoffer in kwestie was cliënte bij Ridder Letselschade. In overleg met haar is aan Mr. Van der Wouden te Rotterdam verzocht een deelgeschil tegen Aegon te beginnen. Zij is namelijk op 5 april 2006 is betrokken geweest bij een ongeval. Tijdens het uitlaten van haar hond is de hond van de wederpartij tegen haar aangesprongen waardoor zij ten val is gekomen. Als gevolg van de val heeft zij haar rechterenkel en rechterknie(schijf) gebroken. De kniefractuur is niet restloos genezen, maar met blijvende buig- en strekbeperkingen. Voor het ongeval was zij al bekend met chronische rugklachten. Deze klachten zijn na het ongeval toegenomen. Vanwege de rugklachten gebruikte zij een scootmobiel. Ook had zij in 1997 reeds een knieprothese aan de rechterzijde gekregen. Deze prothese is in 1998 vervangen. Zij functioneerde in haar woning echter nog geheel zelfstandig, behoudens extra huishoudelijke hulp.

Onderhandelingen over omvang letselschade

Partijen hebben met elkaar onderhandeld over afwikkeling van de schade. Daarbij zijn zij niet tot overeenstemming gekomen. Uiteindelijk heeft Cunningham Lindsey Nederland B.V., optredend voor Aegon,  aan Ridder Letselschade bij brief van 28 september 2010 als volgt bericht:
"(…) Gezien de leeftijd van uw cliënte en de pre-existente klachten van uw cliënte is mijn opdrachtgever van mening dat de vergoeding van de kosten huishoudelijke hulp tot het 70e jaar alsmede de aangeboden slotbetaling van € 9.143,00 zoals gespecificeerd in mijn brief van 1 juni 2010, ruimschoots recht doen aan de situatie.
Hoewel Aegon van mening is dat in deze al voldoende kosten buiten rechte zijn voldaan is zij in het kader van een minnelijke regeling bereid alsnog in deze een aanvullende betaling te verrichten van € 2.500,00.
Ter definitieve regeling en tegen finale kwijting zullen de genoemde bedragen aan uw cliënte en u worden overgemaakt. Namens Aegon kan ik u berichten dat zij meent tezamen met de reeds verstrekte voorschotten geheel te hebben voldaan aan de verplichting tot schadeloosstelling van uw cliënte ten gevolge van het ongeval op 5 april 2008. De slotbetaling moet worden beschouwd als een definitieve afdoening van alle te vergoeden schade naar redelijkheid en billijkheid."

Aegon heeft in totaal een bedrag van  €17.143,00 aan het slachtoffer voldaan. Uit de specificaties die in het kader van de onderhandelingen zijn opgesteld, blijkt van de volgende schadecomponenten:

•  smartengeld      € 10.000,00
•  wettelijke rente over smartengeld  € 2.143,00
•  diversen + huishoudelijke hulp  € 5.000,00
-------------- +
€ 17.143,00

Tevens is een bedrag van € 7.324,42 aan buitengerechtelijke kosten vergoed.

Causaal verband tussen schade en ongeval

Tussen partijen is een geschil blijven bestaan over het causaal verband tussen het ongeval en de klachten en beperkingen die het slachtoffer als gevolg daarvan stelt te ondervinden, alsmede over de omvang van de schade die geacht kan worden uit het ongeval voort te vloeien. Het verzoek trekt ertoe Aegon te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 8.500,00 met rente, alsmede de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv te begroten. Aan dit verzoek legt de vrouw het volgende ten grondslag. Zij kan als gevolg van de buig- en strekbeperkingen van de knie niet meer in en uit bad stappen en is aangewezen op een inloopdouche. De kosten van aanpassing van de badkamer bedragen € 8.500,00.

Aegon betwist de vordering en stelt zelfs een tegenvordering in. Het tegenverzoek van Aegon, zoals dit is toegelicht ter zitting, strekt ertoe voor recht te verklaren dat Aegon niets meer aan de vrouw verschuldigd is en haar te veroordelen tot (terug)betaling van een bedrag van € 12.833,00 met rente. Er is volgens Aegon sprake van pre-existente klachten die de ongevalsgevolgen hebben beïnvloed. Ook in de situatie zonder ongeval zou zij op enig moment zijn aangewezen op een inloopdouche en huishoudelijke hulp. De schade door haar geleden als gevolg van het ongeval, is beduidend lager dan het tot nu toe betaalde bedrag van € 17.143,00. Het te veel betaalde, zijnde een bedrag van € 12.833,00, is onverschuldigd betaald, aldus Aegon.

Onverschuldigde betaling/eenzijdige afwikkeling

De vrouw heeft bij monde van Mr. Van der Wouden gemotiveerd verweer gevoerd dat strekt tot afwijzing van het tegenverzoek van Aegon. Het tot nu toe betaalde bedrag van € 17.143,00 is niet onder voorbehoud van acceptatie betaald en betreft een eenzijdige vaststelling en afdoening van de schade. Van onverschuldigde betaling is dan ook geen sprake, aldus de vrouw. Bovendien is de schade hoger dan het tot nu toe betaalde bedrag.

De rechtbank stelt voorop dat voor een aantal van de schadecomponenten waarover partijen van mening verschillen van belang is wat de ongevalsgevolgen zijn. De vraag of de (volledige) schade aan Aegon kan worden toegerekend komt neer op de vraag of de schade ook zou zijn ingetreden als het ongeval niet zou hebben plaatsgehad. Dat betekent dat de pre-existente klachten van de vrouw van invloed kunnen zijn op de omvang van de schade. Immers, als haar pre-existente klachten ook zonder ongeval op enig moment tot beperkingen zouden hebben geleid, dan kan dit leiden tot een correctie in de duur en/of de hoogte van de schade. De rechtbank acht de visie van Aegon dat de door Aegon gedane slotbetaling voorwaardelijk werd verricht, namelijk onder de voorwaarde dat de slotbetaling plaatsvond "ter definitieve regeling en tegen finale kwijting" onjuist. Van finale kwijting en van definitieve regeling van de schade kon uiteraard slechts sprake zijn indien de vrouw met een voorstel daartoe van Aegon zou hebben ingestemd. Juist omdat Aegon er niet in slaagde overeenstemming met de vrouw te bereiken, heeft zij er op enig moment voor gekozen een slotbetaling aan haar te doen onder mededeling dat die "slotbetaling moet worden beschouwd als een definitieve afdoening van alle te vergoeden schade naar redelijkheid en billijkheid". Daarmee maakte Aegon de keuze om de onderhandelingen met belangenbehartigers te beëindigen en om de schade eenzijdig af te wikkelen. Dat stond Aegon vrij, maar het staat haar - bijzondere omstandigheden waaromtrent niets is gesteld of gebleken daargelaten - niet vrij om daarop terug te komen en (in deze procedure) een substantieel deel van de door haar verrichte betalingen terug te vorderen omdat dit onverschuldigd zou zijn betaald. Een en ander leidt tot de slotsom dat het tegenverzoek van Aegon strekkende tot terugbetaling van een bedrag van € 12.833,00 zal worden afgewezen.

Vordering kosten voor aanpassing badkamer afgewezen

Hoe zit het dan met het verzoek van de vrouw om extra schade vergoed te krijgen voor het realiseren van een voor haar geschikte badkamer? Op de vrouw als slachtoffer van letselschade rust in beginsel de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot de omvang van de schade. Zij kan in dit verband niet volstaan met het uitkiezen van één schadecomponent ter zake waarvan in haar visie nog geen vergoeding heeft plaatsgevonden en het vorderen van - separate - vergoeding van die schadepost. Dat is wat zij doet, nu zij in deze procedure vergoeding van de kosten van aanpassing van de badkamer vordert. Een voorzichtige inschatting van de gestelde schadeposten en het gestelde causale verband met het ongeval leidt niet tot de conclusie dat in het kader van deze procedure kan worden vastgesteld dat Aegon minder heeft vergoed dan waarop zij in rechte aanspraak zou kunnen maken. Voor wat betreft de kosten van noodzakelijke aanpassingen van de badkamer laat zich de vraag stellen welke kosten feitelijk noodzakelijk zijn. Voorts is het gelet op de inhoud van de overgelegde medische informatie niet zonder meer evident dat de na het ongeval noodzakelijke aanpassing van de badkamer niet evenzeer wenselijk of noodzakelijk zou zijn geweest, of op relatief korte termijn noodzakelijk zou zijn geworden, indien het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden.

De rechtbank wijst de vorderingen van beide partijen af. Mr. Van der Wouden zal in overleg met het slachtoffer besluiten of alsnog een bodemprocedure wordt begonnen.

Terug