Klantbeoordeling 9.0/10 Nu tot 22.00 uur bereikbaar! 036 522 0342 info@ridder-letselschade.nl

036 522 0342

Bereikbaar tot 22:00!

Afspraak maken

Gratis advies gesprek

Doe de letselschadetest

Gebruik de onderstaande test om te beoordelen of u in aanmerking komt voor een letselschadeclaim. Binnen 5 min heeft u een uitslag.

Doe de test

  • Aansprakelijkheid ouders Tristan van der V.

  • Leeftijdswelvaart resulteert in hogere schadepost

Val van trapje, werkgever aansprakelijk

20 April, 2011 10:33

De eiseres in deze zaak is als interieurverzorgster in dienst getreden van (de rechtsvoorgangster) van restaurant De Lindeboom. Op 30 mei 2006 is de vrouw bij de uitvoering van haar opgedragen werkzaamheden, te weten het schoonmaken van de ramen in de wintertuin van het restaurant van De Lindeboom, van een huishoudtrap gevallen. Zij heeft door deze val zes ribben gebroken, waarvan drie ribben op twee plaatsen. Daarnaast heeft een rib haar long geperforeerd waardoor zij een klaplong kreeg. Zij is van 30 mei 2006 tot en met 8 juni 2006 opgenomen in het Academisch Ziekenhuis Maastricht, waarvan één dag op de intensive care. In het verslag van de afdeling radiologie van 7 december 2007 is vermeld: “status na uitgebreide fracturen van het thoraxskelet rechts met multipele, thans voor zover beoordeelbaar geconsolideerde ribfracturen.”  Uit de gegevens van ArboNed blijkt, dat de vrouw op 29 februari 2008 nog ongeschikt was voor haar werk.

Arbeidsinspectie

De Arbeidsinspectie heeft een Ongevallenboeterapport opgemaakt op 13 juni 2007. Uit dit rapport blijkt dat het ongeval op 13 november 2006 door de vrouw bij de arbeidsinspectie is gemeld en dat de rapporteur op 17 november 2006 het restaurant van De Lindeboom heeft bezocht. De rapporteur heeft daar een trap met vijf treden (inclusief het bovenste platform) van het merk KVS aangetroffen, waarop een veiligheidsinstructie stond afgebeeld. Als bevinding van de rapporteur staat vermeld: “Op dinsdag 30 mei 2006, omstreeks 8.30 uur, was mevrouw, interieurverzorgster in dienst van Restaurant De Lindeboom “New Style”, aan het werk in de binnentuin. Zij had de ramen al gelapt, maar zag nog vuil zitten in de hoek waar de palm stond. Om dit vuil weg te halen is zij volgens haar verklaring op het werkplatform gaan staan en heeft naar het vuil in de hoek gereikt. Tijdens dit reiken naar de hoek heeft zij onbalans in de trap gevoeld welke zij probeerde op te vangen, maar dit lukte haar niet en zij viel van de trap. Zij kwam daarbij met haar bovenlichaam terecht op een eettafel, die aan de voorzijde in de binnentuin stond opgesteld (…). Een dergelijke trap is niet bedoeld om werkzaamheden op uit te voeren waarbij ver gereikt moet worden. Gezien voorgaande was de trap kennelijk niet stabiel genoeg voor de wijze waarop deze gebruikt werd. (…) Bij het verrichten van arbeid, waarbij valgevaar bestond, werd geen veilige steiger of stelling gebruikt, terwijl die arbeid niet op een veilige wijze op een trap werd verricht, aldus zijnde een overtreding van artikel 16, 10e lid van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 juncto artikel 3.16, 1e lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit (…).”

De vrouw heeft op 22 november 2006 tegenover de rapporteur onder meer verklaard:“Op 30 mei 2006 ben ik vóór 8.00 uur begonnen met mijn werk en wilde ik in de binnentuin de ramen lappen. Ik heb daarvoor gebruik gemaakt van een huishoudtrap, bestaande uit 3 treden en een bovenste plateau. Deze trap heb ik vooraan in de binnentuin gezet aan de “Kerkzijde”, zeg maar in de hoek waar de palm staat. De trap stond in de lengterichting, evenwijdig aan de muur. Voor het ongeval gebeurde had ik de ramen aan de “Kerkzijde” al gelapt met zeem en trekker. Omdat ik in de hoek vuil zag zitten, dat ik wilde weghalen, ben ik, om erbij te kunnen, op het plateau van de ladder gaan staan en heb naar het vuil in de hoek gereikt. Op dat moment voelde ik onbalans in de trap en heb geprobeerd dat tegen te houden. Dit lukte mij niet, waardoor ik viel op de zijkant van een tafel (…). Ik heb altijd de ramen gelapt met spons, zeem, trekker en trap. Beide eigenaars moeten mij meermaals de ramen hebben zien lappen met de trap, spons en zeem. Ik heb nooit instructies of materialen gekregen om dat met een stok te doen. De opname van de trap die u mij laat zien, daar ben ik voor 90% zeker van dat dit niet de trap is die ik gebruikt heb.” Op grond van het boeterapport is bij beschikking van 27 november 2007 aan De Lindeboom een boete opgelegd van € 1.350,=.

Interpolis, de aansprakelijkheidsverzekeraar van De Lindeboom, heeft bij brieven van 5 juli 2007 en 23 augustus 2007 aan de advocaat van de vrouw laten weten dat zij de schade niet zal vergoeden, omdat De Lindeboom een veilige trap ter beschikking heeft gesteld die geschikt was om het betreffende werk mee te verrichten, zodat zij haar zorgplicht als werkgever niet heeft geschonden. De vrouw heeft De Lindeboom in eerste aanleg gedagvaard en een verklaring voor recht gevorderd dat De Lindeboom aansprakelijk is voor de door haar geleden en nog te lijden letselschade. Voorts heeft zij veroordeling van De Lindeboom gevorderd tot betaling van de buitengerechtelijke kosten.

Opzet of bewuste roekeloosheid

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 9 juli 2008 overwogen dat de schade is veroorzaakt doordat de vrouw bij het ramen wassen een huishoudtrap heeft gebruikt en door verlies van evenwicht daarmee of daarvan is gevallen. De kantonrechter acht het niet relevant of het verlies van evenwicht door haar ontstaan is door een reiken of door een schrikreactie doordat zij het blad van een plant in haar oog kreeg. Zelfs als het gebruik van de huishoudtrap ter uitvoering van schoonmaakwerkzaamheden als deze in het algemeen door De Lindeboom verboden was en de vrouw door het gebruik van de trap moedwillig en met opzet een expliciet verbod heeft overtreden, dan nog is volgens de kantonrechter geen sprake van opzet of bewuste roekeloosheid bij de vrouw. De kantonrechter heeft in het kader van de beoordeling of De Lindeboom haar zorgplicht als werkgever is nagekomen De Lindeboom toegelaten te bewijzen dat zij aan de vrouw duidelijk en herhaald de instructie heeft gegeven om bij het schoonmaken van ramen zoals in deze procedure aan de orde, geen gebruik te maken van een (of de enige in het bedrijf aanwezige) huishoudtrap, maar uitsluitend de haar ter beschikking gestelde trekker/stok en zeem voor de uitvoering van dit werk te gebruiken. Bij eindvonnis van 1 juli 2009 heeft de kantonrechter geoordeeld dat De Lindeboom niet is geslaagd in het haar opgedragen bewijs, zodat De Lindeboom aansprakelijk is voor de door de vrouw geleden en te lijden letselschade. De kantonrechter heeft het vonnis van 19 december 2007 bekrachtigd.

De Lindeboom stelt nu dat de kantonrechter een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de zorgplicht van artikel 7:658 lid 1 BW, nu de kantonrechter er volgens De Lindeboom vanuit gaat dat bedoeld artikel een absolute waarborg biedt voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen. Volgens De Lindeboom mag de werkgever uitgaan van de normale oplettendheid van zijn werknemer. Het schoonmaken van de ramen met gebruikmaking van een huishoudtrap is volgens De Lindeboom een werkzaamheid die ook verricht wordt in de huiselijke sfeer; de val van de vrouw is te beschouwen als een huis-, tuin- en keukenongeval. In een dergelijk geval schendt de werkgever zijn zorgplicht niet indien hij niet waarschuwt voor algemeen bekende gevaren. Er bestond voor De Lindeboom geen verplichting om specifieke veiligheidsmaatregelen te treffen of instructies te geven die erop waren gericht om een ongeval te voorkomen. Van een schending van de zorgplicht van De Lindeboom is dan ook geen sprake, aldus De Lindeboom. De kantonrechter is ten onrechte toegekomen aan het verstrekken van een bewijsopdracht aan De Lindeboom. In de tweede grief stelt De Lindeboom zij haar zorgplicht niet heeft geschonden nu zij aan de vrouw een veilige huishoudtrap ter beschikking had gesteld.

Zorgplicht werkgever

De uit artikel 7: 658 lid 1 BW voortvloeiende zorgplicht houdt in dat de werkgever voor het verrichten van arbeid zodanige maatregelen treft en aanwijzingen geeft als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Weliswaar is met de zorgplicht niet beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, maar gelet op de ruime strekking van de zorgplicht kan niet snel worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor de door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade (HR 12-12-2008, LJN BD3129). Artikel 7:658 lid 1 BW vereist een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen en gereedschappen, alsmede van de organisatie van de betrokken werkzaamheden. Bovendien dient de werkgever toezicht te houden op behoorlijke naleving van de door hem gegeven instructies (HR 11-4-2008, LJN BC9225).

Op De Lindeboom rustte gelet op het voorgaande, mede gezien voormelde jurisprudentie, een (verregaande) zorgplicht. Daarbij geldt dat de algemene bekendheid van een gevaar, daar waar het gaat om het voorkomen van de verwezenlijking van gevaren, een argument vormt ten gunste van het aannemen van een zorgplicht (vgl. HR 5-11-1965, LJN AB7079). Van De Lindeboom mochten derhalve maatregelen worden verwacht om de verwezenlijking van het gevaar te voorkomen. Zij stelt ook dat zij die maatregelen heeft genomen, namelijk dat zij de vrouw herhaaldelijk heeft gezegd geen gebruik te maken van een tafel of trap om bij het schoonmaken van de ramen aan voldoende hoogte te komen. De vrouw diende volgens De Lindeboom gebruik te maken van een stok met trekker en spons.

Vast staat dat de vrouw in de uitoefening van haar schoonmaakwerkzaamheden op 30 mei 2006 schade heeft geleden. Uit de eigen stellingen van De Lindeboom volgt dat zij van mening is dat er sprake was van een (potentieel) gevaarlijke situatie. Zij heeft immers gesteld dat de vrouw de huishoudtrap niet had mogen gebruiken bij haar schoonmaakwerkzaamheden op 30 mei 2006 en dat aan haar de instructie is gegeven dat voor het schoonmaken van de ramen geen trap mocht worden gebruikt en dat daarvoor een uitschuifbare stok met zeem en andere middelen beschikbaar waren. Dat sprake was van een gevaarlijke situatie volgt ook uit het ongevallenboeterapport: “Een dergelijke trap is niet bedoeld om werkzaamheden op uit te voeren waarbij ver gereikt moet worden. Gezien voorgaande was de trap kennelijk niet stabiel genoeg voor de wijze waarop deze gebruikt werd. (…)”. Dat het op zich om een deugdelijke, veilige huishoudtrap ging, doet daaraan niet af en evenmin dat bij de beslissing op bezwaar de boete is ingetrokken, nu voormelde constatering uit het ongevallenboeterapport in die beslissing niet is teruggenomen. Van een huis-, tuin- en keukenongeval, zoals De Lindeboom (ook) heeft gesteld in de toelichting op haar eerste grief, waarvoor De Lindeboom niet hoefde te waarschuwen, geen instructies hoefde te geven en geen toezicht op de naleving daarvan hoefde te houden, is gelet op het voorgaande dan ook geen sprake.

De Lindeboom kan zich van aansprakelijkheid voor de letselschade alleen bevrijden door te stellen en zonodig te bewijzen dat zij de in lid 1 van artikel 7:658 BW genoemde verplichtingen is nagekomen. De Lindeboom heeft (in eerste aanleg) gesteld dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan doordat zij herhaaldelijk en duidelijk de instructie heeft gegeven dat zij de huishoudtrap niet diende te gebruiken bij het schoonmaken van ramen, maar dit alleen te doen met de door De Lindeboom ter beschikking gestelde trekker en zeem. De kantonrechter heeft De Lindeboom terecht belast met het bewijs van deze stelling. Andere door De Lindeboom getroffen maatregelen, zoals waarschuwen of het houden van toezicht op gegeven instructies zijn gesteld noch gebleken.

Volgens het gerechtshof falen alle grieven van De Lindenboom als werkgever en dient de letselschade van mevrouw volledig te worden vergoed.

Terug