Klantbeoordeling 9.0/10 Nu tot 22.00 uur bereikbaar! 036 522 0342 info@ridder-letselschade.nl

036 522 0342

Bereikbaar tot 22:00!

Afspraak maken

Gratis advies gesprek

Doe de letselschadetest

Gebruik de onderstaande test om te beoordelen of u in aanmerking komt voor een letselschadeclaim. Binnen 5 min heeft u een uitslag.

Doe de test

  • Aansprakelijkheid ouders Tristan van der V.

  • Leeftijdswelvaart resulteert in hogere schadepost

Verhouding schade-buitengerechtelijke kosten niet maatgevend

22 November, 2011 10:59

De rechtbank in Den Haag vindt dat de verhouding tussen de omvang van de (bevoorschotte) schade en de gevorderde kosten buiten rechte (BGK) niet alleen maatgevend is. Het slachtoffer vorderde tussentijdse vergoeding van de op dat moment nog openstaande BGK ter grootte van € 9.279,00. Volgens de verzekeraar stonden de BGK niet in een redelijke verhouding met de schade tot dat moment. Er was al € 12.500,00 als voorschot op de schade betaald, terwijl er in totaal aan BGK was gedeclareerd een bedrag van € 19.737,00. De rechtbank oordeelde dat niet alleen naar verhouding tussen beide bedragen moet worden gekeken, maar ook naar de aard van de werkzaamheden en de complexiteit van de zaak. Aangezien er alleen voorschotten waren betaald, gaat een beroep op wanverhouding niet op. De PIV-staffel kan ook niet als uitgangspunt dienen, aangezien deze belangenbehartiger geen deelnemer is aan PIV- overeenkomst.

De aanrijding

Het slachtoffer werd op 6 juni 2009 in Rijswijk (ZH) aangereden, waarbij zij als automobilist in botsing is gekomen met een bij Allianz verzekerde personenauto en heeft als gevolg van dit ongeval letsel opgelopen. Allianz heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. Allianz wilde de openstaande BGK van op dat moment € 9.279,47, niet voldoen.

Het geschil

Tussen partijen is in geschil of Allianz over dient te gaan tot tussentijdse vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. Daarbij staat de vraag centraal of de gevorderde buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 6:96 lid 2 BW voldoen aan de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets: zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten dienen redelijk te zijn.

PIV-staffel

Allianz stelt dat de buitengerechtelijke kosten niet in een redelijke verhouding zijn gebleven met de schade. Op de materiële en immateriële schade is door Allianz reeds € 12.500,00 bevoorschot, terwijl er nu reeds € 19.737,67 aan buitengerechtelijke kosten is gedeclareerd. Allianz neemt bovendien de staffel uit de PIV-overeenkomst buitengerechtelijke kosten, opgesteld door de stichting Personenschade Instituut van Verzekeraars (hierna: PIV-staffel), tot uitgangspunt en wijst erop dat de door de advocaat in rekening gebrachte kosten deze maatstaf overschrijden. Volgens Allianz is er sprake geweest van zeer veel contactmomenten tussen hem en zijn cliënte, terwijl de specificaties geen inzicht bieden in de noodzaak van al die contactmomenten. Bovendien wil Allianz niet opdraaien voor de kosten die zijn verbonden aan de acviviteiten die de advocaat heeft moeten besteden aan het arbeidsconflict dat na de aanrijding is ontstaan.

Voorts is van belang dat Allianz zonder onnodige vertraging de aansprakelijkheid heeft erkend, de schaderegeling vlot op gang is gekomen en het letsel beperkt is.

Beoordeling redelijkheid BGK

De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van de hoogte van de buitengerechtelijke kosten niet alleen dient te worden gekeken naar de verhouding tussen die kosten en de omvang van de schade, maar ook rekening dient te worden gehouden met onder meer de aard van de door het slachtoffer geleden schade, de aard van de door de rechtsbijstandverlener verrichte werkzaamheden en de complexiteit van de zaak. Wanneer de verhouding tussen de buitengerechtelijke kosten en de omvang van de schade namelijk de enige factor van belang zou zijn, heeft dit als ongewenste consequentie dat de mogelijkheid op rechtsbijstand voor een slachtoffer met beperkte schade ernstig wordt beperkt, omdat nagenoeg alle kosten daarvan per definitie voor eigen rekening zouden komen. Ook de PIV-staffel kan niet als uitgangspunt dienen, aangezien, zoals het slachtoffer terecht betoogt, haar advocaat geen deelnemer is bij deze overeenkomst en partijen deze staffel niet zijn overeengekomen. Haar advocaat kan dus niet worden gebonden aan de tarieven die door de stichting Personenschade Instituut voor Verzekeraars zijn opgesteld.

Wanverhouding

Dat er sprake is van een eindsituatie is door geen van partijen betoogd. Het verweer dat de buitengerechtelijke kosten in verband met de wanverhouding tussen deze kosten en de totale schade niet voor vergoeding in aanmerking komen gaat op grond van het voorgaande dan ook niet op. Ten aanzien van de kosten die door de rechtsbijstandverlener zijn gemaakt met betrekking tot de conflicten die met de werkgever zijn ontstaan, overweegt de rechtbank dat Allianz miskent dat bij letselschade ruim wordt toegerekend, waardoor ook minder directe en rechtstreekse gevolgen van het ongeval voor rekening komen van de aansprakelijke partij. Van belang is of de kosten redelijkerwijs als gevolg van het ongeval aan Allianz kunnen worden toegerekend.

Arbeidsvermogenschade

De rechtbank acht het aannemelijk dat zonder nadere inspanningen van de advocaat richting de werkgever, er arbeidsvermogenschade zou zijn geleden. Hierbij is mede van belang dat ook Allianz dit risico kennelijk heeft onderkend, nu zij, met het oog op reïntegratie, heeft ingestemd met de inschakeling van een arbeidsdeskundige op haar kosten. Tevens heeft Allianz zelf aangevoerd dat de schade mede door het ingezette reïntegratietraject beperkt is gebleven. Naar het oordeel van de rechtbank staan de kosten die door de advocaat zijn gemaakt ten aanzien van de verstoorde verhouding tussen het slachtoffer en haar werkgever dus als kosten die zijn gemaakt ter voorkoming van arbeidsvermogenschade in voldoende causaal verband met het ongeval dat deze kosten in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het veelvuldige contact van het slachtoffer met haar advocaat redelijk is, gezien de problemen die zijn ontstaan met haar werkgever en het daarmee samenhangende risico op verlies van inkomen. Voorts voldoen de declaraties van de advocaat aan de eisen die aan dergelijke declaraties worden gesteld. Het verweer dat de specificaties geen inzicht bieden in de noodzaak van de contactmomenten met het slachtoffer gaat namelijk niet op, nu hetgeen door de rechtsbijstandverlener met het slachtoffer tijdens deze contactmomenten is besproken vertrouwelijke informatie betreft. Bovendien had het op de weg van Allianz gelegen om, wanneer er vragen zouden bestaan bij specifieke posten, bij ontvangst van de facturen daaromtrent opmerkingen jegens de advocaat te maken. Dit heeft Allianz echter nagelaten.

De vordering van het slachtoffer tot betaling van de nog openstaande BGK wordt dan ook volledig toegewezen.

Naschrift mr. T. Ridder

In december 2009 stuurde Achmea een brief naar alle belangenbehartigers in letselschadezaken. Kern van dat betoog was, dat Achmea vanaf dat moment alle nota's van de belangenbehartigers zou beoordelen aan de hand van de PIV-staffel. Nadien volgden veel verzekeraars dit voorbeeld. Tegenwoordig sturen Delta Lloyd, ASR en Allianz standaard als eerste brief naar de belangenbehartigers een overzicht van het 'BGK-beleid' mee. Dat beleid houdt in, dat de nota's terzake BGK worden beoordeeld aan de hand van de PIV-staffel, of men nou een dergelijk convenant heeft afgesloten of niet.

De rechtbank Den Haag besliste in deze uitspraak op een wijze die recht doet aan het recht, aan het Burgerlijk Wetboek. Een aansprakelijke verzekeraar kan zich er, bij de beoordeling van de nota's van een belangenbehartiger, simpelweg niet vanaf maken door te wijzen op de staffel. Bovendien doen die verzekeraars dat, behoudens Achmea zelf, uitsluitend wanneer het in hun straatje te pas komt. Zou op grond van de staffel een hogere BGK vergoeding gerechtvaardigd zijn, dan hoor je geen enkele verzekeraar (nogmaals, Achmea uitgezonderd).

Kortom, de verzekeraars moeten weer inhoudelijk naar de zaak, de werkzaamheden, de bijzonderheden van het geval, etc. kijken wanneer ze een nota beoordelen. Zo was het na het bekende Drenth-arrest en zo zou het ook weer moeten zijn. Dat vindt in elk geval de rechtbank Den Haag.

Terug