Klantbeoordeling 9.0/10 Nu tot 22.00 uur bereikbaar! 036 522 0342 info@ridder-letselschade.nl

036 522 0342

Bereikbaar tot 22:00!

Afspraak maken

Gratis advies gesprek

Doe de letselschadetest

Gebruik de onderstaande test om te beoordelen of u in aanmerking komt voor een letselschadeclaim. Binnen 5 min heeft u een uitslag.

Doe de test

  • Aansprakelijkheid ouders Tristan van der V.

  • Leeftijdswelvaart resulteert in hogere schadepost

Wandelaar moet gebrek bewijzen

25 Oktober, 2010 16:12

De Rechtbank Rotterdam heeft bepaald dat een oneffenheid in de weg met een diepte van 4,5 centimeter, als gebrek kan worden aangemerkt. Het slachtoffer moet nu maar bewijzen dat de diepte inderdaad ook 4,5 centimeter was. Wat was het geval? Op 1 mei 2007 is een vrouw tijdens een wandeltocht, in Schiedam ten val gekomen. Ten tijde van haar val liep zij in een groep met circa 50 medewandelaars van de wandelclub waarvan zij lid is. Door de val liep zij een verbrijzelde elleboog op.

Aansprakelijkheid wegbeheerder

Zij stelde de gemeente aansprakelijk als wegbeheerder op grond van artikel 6:174 BW, omdat volgens haar sprake was van een 'gebrek'.  Zij stelt namelijk dat zij ten val is gekomen, doordat zij met haar voet in een put in het wegdek bleef hangen en daardoor struikelde. De put was veel lager gelegen dan het oppervlakte van het wegdek. Haar voet bleef haken achter de randen van de kuil in het asfalt. Deze kuil in de weg is ca. 4,5 centimeter diep en heeft een lengte van ongeveer 90 centimeter in de looprichting. Aan de randen van de kuil zitten een geleidelijk schuine wand en een steile schuine wand. Haar voet is daarop gekanteld, waardoor zij viel. De kuil is te kwalificeren als een gebrek in de zin van artikel 6:174 BW.

De Gemeente is als wegbeheerder op grond van artikel 6:174 jo. 6:162 BW aansprakelijk voor het ten gevolge van haar ongeval door de vrouw opgelopen letsel en geleden en nog te lijden letselschade. Het verweer van de Gemeente komt erop neer, dat de vordering moet worden afgewezen.  De Gemeente voert de volgende verweren aan. De Gemeente betwist primair dat de plaats van het ongeval gebrekkig was in de zin van artikel 6:174 BW. Omdat geen sprake was van een gebrek bestaat evenmin aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW. Voorts doet de Gemeente een beroep op eigen schuld van het slachtoffer en betwist zij de gestelde schade en de gevorderde wettelijke rente, proceskosten en verwijzing naar de schadestaatprocedure.

Wanneer is de weg gebrekkig?

De rechtbank komt tot de conclusie dat vaststaat tussen partijen, dat  het slachtoffer letsel heeft opgelopen door een val, waarbij haar voet in een kuil bleef steken. Beide partijen verschillen van mening over de vraag of deze kuil een gebrek in de zin van artikel 6:174 BW oplevert. Op grond van dit artikel is de Gemeente als wegbeheerder aansprakelijk voor de ten gevolge van het ongeval op de Lychnislaan geleden schade, indien komt vast te staan dat de weg ter plaatse in een gebrekkige toestand verkeerde. Daarvan is sprake indien de weg niet voldeed aan de daaraan in de gegeven omstandigheden te stellen eisen. Uitgangspunt daarbij is dat de Gemeente als wegbeheerder ervoor dient zorg te dragen dat de weg zodanig wordt ingericht en onderhouden, dat hij geen gevaar oplevert voor weggebruikers. Aan de andere kant moeten weggebruikers er bij de door hen in acht te nemen voorzichtigheid rekening mee houden dat het wegdek niet steeds in perfecte staat verkeert.

De kern van de stelling van het slachtoffer is, dat sprake was van een gebrek gelet op het niveauverschil van de kuil waarin zij ten val is gekomen ten opzichte van het overige wegdek van de Lychnislaan, te weten een diepte van ca. 4,5 centimeter en een lengte van ongeveer 90 centimeter in haar looprichting. De Gemeente betwist dat sprake was van een gebrek aan de weg. De Gemeente stelt daartoe dat er geen sprake was van een niveauverschil van 4,5 centimeter. Uit metingen die na het ongeval zijn verricht, blijkt dat het niveauverschil minder dan 1 centimeter bedroeg, om precies te zijn 0,8 centimeter. Er was slechts sprake van een oneffenheid in de weg, waarop de normaal oplettende verkeersdeelnemer bedacht moet zijn. Ook indien het niveauverschil meer dan 1 centimeter bedroeg, is er geen sprake van een gebrek, aldus de gemeente. Niveauverschil rondom een put is noodzakelijk en gebruikelijk. Putten moeten onbedekt zijn. Daarom wordt het asfalt er omheen gestort. Om het ongemak zo klein mogelijk te maken, is de oppervlakte van het gat vergroot, zodat de randen schuin omhoog lopen en daarmee geleidelijk aflopen. In dat kader houdt de Gemeente een norm aan van maximaal 3 centimeter, gebaseerd op de CROW-aanbevelingen die door gemeenten worden gehanteerd. Een geleidelijk aflopend niveauverschil van 3 centimeter is geen gebrek.

De rechtbank komt tot de volgende overwegingen. Tussen partijen staat vast dat het slachtoffer over de rand van een kuil is gestruikeld. Partijen zijn het oneens over het niveauverschil van die kuil ten opzichte van het overige wegdek, en of de rand van de kuil waarover zij gevallen is, een steile, schuine rand is, dan wel een geleidelijk schuin aflopende rand. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op het slachtoffer de bewijslast van haar stelling dat sprake was van een niveauverschil/diepte van de kuil van 4,5 centimeter ten opzichte van het overige wegdek en dat de rand van de kuil waarover zij gevallen is een steile, schuine wand rand was. De Gemeente heeft niet betwist dat de kuil een lengte had van 90 centimeter, zodat dit vaststaat.

De rechtbank is van oordeel dat indien sprake was van een niveauverschil/diepte van de kuil van ca. 4,5 centimeter ten opzichte van het overige wegdek en de kuil een steile, schuine rand had, zoals de claimant stelt, er sprake was van een gebrek in de zin van artikel 6:174 BW. Een zodanig niveauverschil over een lengte van 90 centimeter met een steile, schuine rand vormt een gevaar voor voetgangers en fietsers, welk gevaar zich ook heeft gerealiseerd. In dat geval kan niet meer worden gesproken van een ‘oneffenheid’ waarop weggebruikers bedacht moeten zijn. Het argument van de Gemeente dat niveauverschil rondom putten noodzakelijk is, gaat bij een niveauverschil van ca. 4,5 centimeter niet op. Immers de Gemeente heeft gesteld dat zij ten aanzien van niveauverschillen in een wegdek een norm aanhoudt van maximaal 3 centimeter op grond van de CROW-aanbevelingen, en dat oneffenheden bij overschrijding van deze norm als urgent worden beschouwd en direct worden verholpen. Deze eigen norm van de Gemeente is bij een niveauverschil van ca. 4,5 centimeter aanzienlijk overschreden. Het argument van de Gemeente dat zij gelet op haar beperkte financiële middelen niet in staat is om alle oneffenheden in haar wegennetwerk te verhelpen, vervalt hiermee ook, nu de Gemeente kennelijk het beleid heeft om bij niveauverschillen van meer dan 3 centimeter tot herstel over te gaan.

De rechtbank is van oordeel dat bij een geringer niveauverschil dan ca. 4,5 centimeter en indien de kuil geen steile, schuine rand heeft, niet kan worden aangenomen dat de weg gebrekkig was in de zin van artikel 6:174 BW. Een kuil van een geringere diepte en zonder steile, schuine rand kan niet als gevaarzettend worden aangemerkt. Waarom de rechtbank juist die grens stelt, wordt niet duidelijk!

Wie moet wat bewijzen?

De stelling dat sprake was van een niveauverschil/diepte van de kuil van 4,5 centimeter ten opzichte van het overige wegdek en de rand van de kuil waarover zij gevallen is een steile, schuine rand had, is door de Gemeente betwist. Daarom zal het slachtoffer, die zich beroept op de rechtsgevolgen van haar stelling, worden opgedragen die stelling te bewijzen. Indien zij in voornoemd bewijs slaagt, dan staat vast dat sprake was van een gebrek in de zin van artikel 6:174 BW, waarvoor Gemeente in beginsel aansprakelijk is. In dat geval komt de rechtbank toe aan de overige verweren van de Gemeente.

Terug